De warme zon scheen op mijn gezicht. Er stond een heerlijk briesje, het rook fris naar de bloemen. Ami's liefdevolle stem vulde de wereld om mij heen met haar gezang. Het was een kinderliedje, maar wat maakte het uit. Wat was dat rare druppelende geluid? "Sarah, ik heb een bloemenkrans voor je gemaakt!" Ik deed één oog open en keek naar het vrolijke gezicht van mijn zus. Drup. Drup. Ik ging rechtop zitten in het gras veld. Ami zette de krans op mijn hoofd. "Ami, Sarah, de broodjes staan klaar!" werd er geroepen in de verte. Ami trok me overeind en we rende lachend naar de stem toe. Het geluid van ons gelach mixte steeds meer met het druppelende geluid. Wat gebeurde er? Alles vervaagde, voor me zag ik nog alleen maar een helder wit licht. Waar was Ami? Waar was papa?
Alsof ik een elektrische schok had gekregen, schoot ik overeind. Ik zag niets, mijn ogen moesten wennen aan het donker. Met mijn linkerhand streek ik over mijn rechterarm. Waar waren de infusen? Ik knipperde heftig met mijn ogen. Langzaam aan begon ik beter te zien waar ik was. Het was een ziekenhuis. Waarom was ik in een ziekenhuis? Geschrokken greep ik naar mijn hart. Het klopte. Het gaf me een geruststellend gevoel. Ineens viel mijn blik op een roos. Deze roos lag in mijn schoot. Ik kon de kleur niet onderscheidden vanwege het slechte licht hier. Een beetje angstig stapte ik van het bed af waar ik op zat. Ik nam de roos mee. Lopen voelde onwennig? Wat was er aan de hand? Waarom was het hier zo verlaten? Ik was wel eens vaker in een ziekenhuis vanwege mijn hart. Er was altijd wel geroezemoes, huilende kinderen of de aardige verpleegster Lily die haar mollige vrolijke gezicht om de hoek van de deur stak. Er liep een rilling over mijn rug. Ik keek door de kamer. Het duurde even voor ik de vorm van een deur ontdekte. Ik haalde diep adem en liep erop af. Zachtjes beet ik op mijn lip. Ik voelde dat ik bang was voor wat er ging komen. Ik kneep mijn ogen dicht en legde mijn hand op de klink. De klink voelde erg koel en ook een beetje stoffig. Alsof niemand hier in eeuwen was geweest. Ik opende de deur, wat totaal tegen mijn verwachtingen in zonder gepiep of geluid ging. Op de gang was het licht. Even was ik half verblind. Toen mijn zicht weer normaal terug was keek ik naar de roos in mijn handen. Hij was diep roze. Het was een prachtige roos. Ik besloot hem te houden. Het voelde goed. Stapje voor stapje begaf ik me door de gang. Er was hier iets mis, maar ik wist niet wat. Aan het einde van de gang was een t-splitsing. Links ging richting een soort wachtkamer. Er zat niemand. Rechts van me was een balie, daarnaast liep de gang verder. Ik zag een lift aan het einde. Maar er was ook iets anders. Er stond iets voor de lift. Dapper liep ik erop af. Terwijl ik dichterbij kwam, zag ik dat het een pop was op een fiets. Een clown op een fiets. Ik hurkte om het geval van wat dichterbij te kijken. Ik stak mijn hand uit om het aan te raken toen er een rare glans over de kraaloogjes van de clown gingen. Er kwam beweging in de 'pop'. Zijn mondje ging open en liet een rij scherpe tandjes zien. Zijn beentjes begonnen te bewegen. Hij fietste. Op mij af. Van schrik viel ik op mijn achterwerk. Ik krabbelde achteruit, heel erg onhandig. Ik wist mezelf overeind te krijgen. Ik hijgde flink. Ik rende om de hoek van de balie. Aan het geknars en gepiep te horen, kwam de clown achter me aan. Het was dood eng. Ik verschool me achter de balie. Ik hoorde hoe de clown in hoge snelheid voorbij fietste, het geluid stierf weg. Opgelucht haalde ik adem. Maar mijn opluchting was maar van korte duur. De clown had opgemerkt dat ik niet meer in de gang was. Het nare piepende geluid van zijn fietsje kwam weer dichterbij. Ik was nog nooit zo bang geweest. Mijn ogen stonden vol met tranen. Wat moest ik doen? Ik raakte een beetje in paniek. Op de balie! De clown was klein, daar kon hij nooit bij. Ik sprong op maar knalde met mijn hoofd tegen het bureau waar ik onder was gaan zitten. Een nare pijn sneed door mijn schedel en het werd zwart voor mijn ogen, maar ik zette door en klauterde op de balie Aan een doffe klap te horen, was de clown met zijn fiets tegen de balie aangereden. Ik kon horen hoe hij tevergeefs aan het trappen was, maar hij kon niet bij me komen. Hoe kwam ik hier ooit weg?
Alsof ik een elektrische schok had gekregen, schoot ik overeind. Ik zag niets, mijn ogen moesten wennen aan het donker. Met mijn linkerhand streek ik over mijn rechterarm. Waar waren de infusen? Ik knipperde heftig met mijn ogen. Langzaam aan begon ik beter te zien waar ik was. Het was een ziekenhuis. Waarom was ik in een ziekenhuis? Geschrokken greep ik naar mijn hart. Het klopte. Het gaf me een geruststellend gevoel. Ineens viel mijn blik op een roos. Deze roos lag in mijn schoot. Ik kon de kleur niet onderscheidden vanwege het slechte licht hier. Een beetje angstig stapte ik van het bed af waar ik op zat. Ik nam de roos mee. Lopen voelde onwennig? Wat was er aan de hand? Waarom was het hier zo verlaten? Ik was wel eens vaker in een ziekenhuis vanwege mijn hart. Er was altijd wel geroezemoes, huilende kinderen of de aardige verpleegster Lily die haar mollige vrolijke gezicht om de hoek van de deur stak. Er liep een rilling over mijn rug. Ik keek door de kamer. Het duurde even voor ik de vorm van een deur ontdekte. Ik haalde diep adem en liep erop af. Zachtjes beet ik op mijn lip. Ik voelde dat ik bang was voor wat er ging komen. Ik kneep mijn ogen dicht en legde mijn hand op de klink. De klink voelde erg koel en ook een beetje stoffig. Alsof niemand hier in eeuwen was geweest. Ik opende de deur, wat totaal tegen mijn verwachtingen in zonder gepiep of geluid ging. Op de gang was het licht. Even was ik half verblind. Toen mijn zicht weer normaal terug was keek ik naar de roos in mijn handen. Hij was diep roze. Het was een prachtige roos. Ik besloot hem te houden. Het voelde goed. Stapje voor stapje begaf ik me door de gang. Er was hier iets mis, maar ik wist niet wat. Aan het einde van de gang was een t-splitsing. Links ging richting een soort wachtkamer. Er zat niemand. Rechts van me was een balie, daarnaast liep de gang verder. Ik zag een lift aan het einde. Maar er was ook iets anders. Er stond iets voor de lift. Dapper liep ik erop af. Terwijl ik dichterbij kwam, zag ik dat het een pop was op een fiets. Een clown op een fiets. Ik hurkte om het geval van wat dichterbij te kijken. Ik stak mijn hand uit om het aan te raken toen er een rare glans over de kraaloogjes van de clown gingen. Er kwam beweging in de 'pop'. Zijn mondje ging open en liet een rij scherpe tandjes zien. Zijn beentjes begonnen te bewegen. Hij fietste. Op mij af. Van schrik viel ik op mijn achterwerk. Ik krabbelde achteruit, heel erg onhandig. Ik wist mezelf overeind te krijgen. Ik hijgde flink. Ik rende om de hoek van de balie. Aan het geknars en gepiep te horen, kwam de clown achter me aan. Het was dood eng. Ik verschool me achter de balie. Ik hoorde hoe de clown in hoge snelheid voorbij fietste, het geluid stierf weg. Opgelucht haalde ik adem. Maar mijn opluchting was maar van korte duur. De clown had opgemerkt dat ik niet meer in de gang was. Het nare piepende geluid van zijn fietsje kwam weer dichterbij. Ik was nog nooit zo bang geweest. Mijn ogen stonden vol met tranen. Wat moest ik doen? Ik raakte een beetje in paniek. Op de balie! De clown was klein, daar kon hij nooit bij. Ik sprong op maar knalde met mijn hoofd tegen het bureau waar ik onder was gaan zitten. Een nare pijn sneed door mijn schedel en het werd zwart voor mijn ogen, maar ik zette door en klauterde op de balie Aan een doffe klap te horen, was de clown met zijn fiets tegen de balie aangereden. Ik kon horen hoe hij tevergeefs aan het trappen was, maar hij kon niet bij me komen. Hoe kwam ik hier ooit weg?
Geen opmerkingen:
Een reactie posten